|
AGENDA
2002
VOOR
HET HERSTEL EN HET BEHOUD VAN DE VREDE IN DE REGIO VAN DE GROTE
MEREN,
DE RESTAURATIE VAN DE TERRITORIALE INTEGRITEIT EN DE HERINVOERING
VAN DE REPUBLIEK IN KONGO-ZAÏRE
De Republiek Kongo-Zaïre (tegenwoordig Democratische Republiek
Kongo) is door de buurlanden uit het Noordoosten (Rwanda,
Burundi en Oeganda) binnengevallen en wordt nu door deze landen
bezet. Dit is een flagrante schending van de toepasselijke regels
van het internationaal recht, met name artikel 2 § 4 van het
Verdrag van de Verenigde Naties. Volgens dat artikel mogen leden
van de VN geen gewapende troepen inzetten tegen de onafhankelijkheid
en/of de territoriale integriteit van een andere staat. De aanwezigheid
van deze staten op het grondgebied van Kongo-Zaïre is dus zonder
enige twijfel een daad van agressie, in de zin van Resolutie 3314
van de Algemene Vergadering van de VN, en verder een overtreding
prima facie van de regels voor vreedzame coëxistentie en de
vriendschappelijke betrekkingen tussen staten. Bovendien is hier
sprake van een schending van het uti possidetis juris-beginsel,
dat de onschendbaarheid van internationaal erkende landsgrenzen
garandeert.
Behalve
de reeds genoemde invasie- en bezettingslegers zijn er ook troepen
uit andere Afrikaanse landen in Kongo-Zaïre aanwezig. Deze
zijn door het regime dat in Kinshasa aan de macht is te hulp geroepen.
In totaal hebben zes vreemde staten (Angola, Burundi, Namibië,
Oeganda, Rwanda en Zimbabwe) zich op illegale wijze direct of
indirect toegang verschaft tot het nationale grondgebied
De
gevolgen van de situatie blijven niet beperkt tot de Regio van de
Grote Meren: de permanente aanwezigheid van buitenlandse militaire
en paramilitaire troepen in Kongo-Zaïre vormt een ernstige
bedreiging van de vrede, de veiligheid, de stabiliteit en de ontwikkeling
van heel Centraal en Oost-Afrika. Erger nog: door de aanwezigheid
van vreemde troepen kan de Republiek Kongo-Zaïre haar soevereiniteit
niet daadwerkelijk uitoefenen.
De internationale gemeenschap maakt zich over deze kwestie ernstige
zorgen. De Veiligheidsraad van de VN heeft reeds talrijke resoluties
aanvaard, en er is op 10 juli 1999 een akkoord over een staakt-het-vuren
in de Democratische Republiek Kongo tot stand gekomen, het zogenaamde
Akkoord van Lusaka.
Niettegenstaande
de door de Internationale Gemeenschap geleverde inspanningen, blijft
de situatie in Kongo-Zaïre ernstige zorgen baren. Het grondgebied
van de Republiek is een proefterrein geworden voor buitenlandse,
Afrikaanse strijdkrachten, en dreigt dat ook te blijven.
Deze agressie-oorlog, die Kongo-Zaïre sinds eind oktober 1996
teistert, heeft al meer dan twee miljoen landgenoten en acht miljoen
anderen het leven gekost. Na vijf jaar vechten wordt de crisis die
Kongo-Zaïre op zulk een verschrikkelijke wijze verscheurt alleen
maar erger: de levensomstandigheden zijn erg uiterst zwaar, de bevolking
krijgt het steeds moeilijker, en niets wijst op een snel herstel
van de vrede in de Regio van de Grote Meren. Onduidelijk is ook
of er ooit enige vooruitgang zal worden geboekt met het proces voor
de wederopbouw van Kongo-Zaïre en de zwaarst getroffen regio's.
Blijven wij passief afwachten en onverschillig toezien terwijl deze
gruwelijke oorlog voortduurt? We moeten samen met de historische
partners van Kongo-Zaïre (de Europese Unie en haar Lidstaten
en de Verenigde Staten) zoeken naar oplossingen om te verhinderen
dat de situatie verergert. We moeten proberen de normale levensomstandigheden
in ons land en de Regio van de Grote Meren te herstellen.
De
UNIR MN vraagt daarom aan de Europese Unie of deze wil meewerken
aan de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het Akkoord van Lusaka.
De UNIR MN stelt met tevredenheid vast dat de Raad van de Europese
Unie op 11 maart 2002 een gemeenschappelijk standpunt heeft aanvaard
"betreffende de steun van de Europese Unie aan de implementatie
van het akkoord over een staakt-het-vuren van Lusaka en van het
vredesproces in de Democratische Republiek Kongo", en stelt
de Europese Unie nu voor een gemeenschappelijk standpunt in te nemen,
waarin alle staten die de bepalingen van voornoemd Akkoord niet
nauwlettend respecteren veroordeeld worden. Dit gemeenschappelijk
standpunt moet worden aangevuld met gemeenschappelijke acties in
de vorm van economische sancties.
Om
de vrede in de Regio van de Grote Meren op een duurzame wijze te
herstellen stelt de UNIR MN overigens voor de "observatiemissie"
van MONUC op te geven. Om deze crisis op te lossen is het beter
een ware dwangdiplomatie te voeren. De UNIR MN stelt de Europese
Unie en de Lidstaten voor om met de medewerking van de Verenigde
staten de Veiligheidsraad om goedkeuring te vragen voor het sturen
van interventietroepen van de WEU of de NAVO. Op die wijze zouden
we de naleving van het Akkoord van Lusaka het herstel van de vrede
en de veiligheid in de Regio kunnen afdwingen, en wel volgens de
bepalingen van het Verdrag en de Vredesagenda van de VN.
De
doelstelling van de UNIR MN bestaat erin om met de doorslaggevende
hulp van onze historische partners een internationale vredesoperatie
op te zetten om zo een definitieve oplossing voor de crisis te vinden.
Die oplossing moet binnen een niet-gewelddadige context worden gezocht,
al hoeven dwangmaatregelen niet worden uitgesloten.
|
Hoofdstuk
I
Herstel van de territoriale integriteit van Kongo-Zaïre,
herstel en behoud van de vrede in de Regio van de Grote Meren
|
Vanaf
1996 zijn pogingen ondernomen om een vredelievende oplossing te
vinden. Sinds 1998 zijn die inspanningen geïntensiveerd - men
denke aan de verschillende resoluties van de VN en het in 1999 tot
stand gekomen Akkoord van Lusaka. Al deze inspanningen zijn evenwel
tevergeefs gebleken. Daarom moet het optreden dat de VN voor de
oplossing van het conflict in de Regio van de Grote Meren voorstellen
plaats maken voor een nieuwe, actieve diplomatie, met een vastberaden
interventie van de Europese Unie, de Lidstaten van die Unie, en
de Verenigde staten, om zo te komen tot een daadwerkelijke tenuitvoerlegging
van het Akkoord van Lusaka. Deze nieuwe diplomatie moet in twee
fasen verlopen:
- een eerste fase, die gewijd moet zijn aan onderhandelingen tussen
de oorlogvoerende partijen;
- een tweede fase, met de inzet van dwangmiddelen (indien de eerste
fase geen resultaten oplevert).
1
Onderhandeling tussen de oorlogvoerende partijen
De
UNIR MN dringt er bij de Europese Unie op aan om op doortastende
wijze te interveniëren bij het herstel van een duurzame vrede
in de Regio, en verder om al haar invloed aan te wenden voor het
afsluiten van een onderhandeld vredesakkoord. Dat akkoord moet alle
partijen acceptabel zijn en respect tonen voor de territoriale integriteit
en de nationale soevereiniteit van Kongo-Zaïre.
Om dit doel te bereiken stelt de UNIR MN de Europese Unie voor een
"Hoge Bemiddelaar van de Europese Unie" te benoemen, die
als taak heeft de tegengestelde belangen en de negatieve gevoelens
zoals die tussen de partijen in dit conflict kunnen ontstaan te
verzoenen om aldus een efficiënte uitvoering van het Akkoord
van Lusaka mogelijk te maken.
De Hoge Bemiddelaar heeft als missie een daadwerkelijk en oprecht
contact tussen de oorlogvoerende partijen tot stand te brengen.
Het gaat er dan om hen dichter bij elkaar te brengen, een dialoog
te openen en de onderhandelingen tussen de oorlogvoerende staten
te leiden. Het optreden van de Europese Hoge Bemiddelaar moet leiden
tot een hervatting van de onderhandelingen tussen de bij het conflict
betrokken staten, welke onderhandelingen uiteindelijk zullen moeten
uitmonden in een vredelievende regeling van de crisis.
De
UNIR MN vraagt de Hoge Bemiddelaar om het contact tussen de staten
die bij de crisis van de Regio van de Grote Meren betrokken zijn
te herstellen. De Hoge Bemiddelaar moet hun vervolgens voorstellen
een ontwerp te maken voor het Regionale Stabiliteitspact van de
UNIR MN. Voor dit doel moet een intergouvernementele Conferentie
worden georganiseerd onder auspiciën van de Europese Unie.
2
Een beroep doen op dwangdiplomatie
Indien
de onderhandelingen tussen de verschillende protagonisten mislukken,
vormen dwangmaatregelen de volgende stap. Het gaat hier om actieve
interventie, gevolgd door internationaal optreden voor het herstel
en behoud van de vrede in de Regio.
Deze dwangdiplomatie moet uit twee, elkaar aanvullende verschillende
fasen bestaan:
- economische en/of diplomatieke sancties (1) ;
- militaire sancties (2).
1
Economische en diplomatieke dwangmaatregelen
Om
weerbarstige staten te dwingen het door hen ondertekende akkoord
van Lusaka te respecteren, stelt de UNIR MN de Europese Unie en
haar Lidstaten voor economische en/of diplomatieke sancties toe
te passen. Deze kunnen het resultaat zijn van een onafhankelijk
initiatief van de Unie, waarmee bedoeld wordt dat genoemde sancties
op basis van de volgende twee artikelen uit het Verdrag van de Europese
Unie kunnen worden genomen: Titel V (GBVB) en/of artikel 301 van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG).
Naast
dat soort acties kan de Europese Unie ook economische en diplomatieke
sancties uitvaardigen tegen staten die de bepalingen van het Akkoord
van Lusaka niet respecteren, en wel met een verwijzing naar een
Resolutie van de Veiligheidsraad, aanvaard op basis van het artikel
41 van het Verdrag van de Verenigde Naties.
Als nochtans blijkt dat al deze maatregelen niet volstaan, kan interventie
door een troepenmacht niet worden uitgesloten.
2
Militaire dwangmaatregelen
Het
is mogelijk dat de eerder genoemde economische en diplomatieke maatregelen
niet doeltreffend blijken te zijn. De UNIR MN is ervan overtuigd
dat in dat geval alleen een gewapende legermacht in staat zal zijn
de buitenlandse troepen op het grondgebied van Kongo-Zaïre
tot terugtrekking te dwingen. We spreken dan over een militaire
ingrijpen, en een dergelijke interventie moet op de voorgeschreven
wijze door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties goedgekeurd
worden, De Verenigde Naties beschikken echter niet over eigen en
concrete materiële middelen en manschappen, en daarom stelt
de UNIR MN de Europese Unie en de Lidstaten voor om met de steun
van de Verenigde staten een aanbeveling te doen aan de Veiligheidsraad
om een Resolutie uit te vaardigen waarmee op basis van hoofdstuk
VIII van het Verdrag (artikel 52), regionale defensieorganisaties
gemachtigd worden om de krachtens hoofdstuk VII van hetzelfde Verdrag
(artikel 42) genomen dwangmaatregelen op gepaste wijze uit te voeren,.
Volgens de UNIR MN zal de interventie van de WEU en de NAVO prima
facie doorslaggevend zijn. Een beroep doen op deze laatste organisatie
wordt gerechtvaardigd door het aantoonbare onvermogen van de Organisatie
voor Afrikaanse Eenheid (OAE) om - op dit ogenblik althans - een
oplossing te bieden voor de conflicten die het Afrikaanse continent
teisteren (en dat geldt zowel voor interne conflicten, als voor
conflicten tussen verschillende staten).
De ervaring wijst uit dat klassieke operaties voor de handhaving
van de vrede en de internationale veiligheid, zoals die van de "Blauwhelmen"
van de Verenigde Naties, uiterst ondoeltreffend zijn. Een verwijzing
naar de toestand in Zuid-Libanon of Cyprus volstaat: in deze regio's
zijn de troepen van de Verenigde Naties onmachtig gebleken de vrede
en veiligheid te handhaven.
Daarom
is de UNIR MN ervan overtuigd dat de MONUC - die toch een duidelijk
omschreven mandaat heeft (observatie, demilitarisering en het controleren
van de terugtrekking van de vreemde troepenmachten uit het grondgebied
van Kongo-Zaïre) - niet in staat is de Republiek daadwerkelijk
steun te geven bij het heroveren van haar volledige soevereiniteit.
|
Hoofdstuk
II
Het uitwerken van een Regionaal Stabiliteitspact en het opzetten
van een Organisatie voor Veiligheid en Wederzijdse Defensie
in de Regio van de Grote Meren, en in Centraal, West- en Oost-
Afrika
|
De
veiligheid van Kongo-Zaïre is niet los te denken van die van
alle andere staten in de Regio van de Grote Meren, in Centraal,
West- en Oost-Afrika.
De inter-Afrikaanse verzoening moet gepaard gaan met een politiek
perspectief. De regionale vrede en veiligheid kunnen niet worden
gehandhaafd zonder creatieve oplossingen. Tussen de volkeren die
in de Regio van de Grote Meren, in Centraal, West- en Oost-Afrika
naast elkaar leven moet een soort beschermende, confederale band
bestaan. De genocide in Rwanda in 1994, het conflict in Kongo-Zaïre,
dat in de herfst van 1996 is uitgebarsten, de oorlog in Kongo-Brazzaville
en de burgeroorlog in Angola hebben aangetoond dat geen van onze
landen op zichzelf in staat is zijn eigen onafhankelijkheid te verdedigen
en de veiligheid van zijn grondgebied doeltreffend te garanderen.
Geen van onze landen kan de problemen die de stabiliteit bedreigen
alleen oplossen. Daarom is het belangrijk de eerste concrete stappen
te ondernemen in de richting van een Regionale Organisatie. Zo'n
organisatie is voor de handhaving van de vrede onmisbaar.
Daarom stelt de UNIR MN voor allereerst een constructief partnerschap
op te zetten tussen alle staten van deze regio, om zo meer te kunnen
doen voor de veiligheid en stabiliteit in de Regio van de Grote
Meren, in Centraal, West- en Oost-Afrika. Dat partnerschap moet
vrij en eensgezind kunnen opereren, en het moet niet alleen veiligheid
en defensie dienen, maar ook oog hebben voor politieke, economische,
sociale en ecologische aspecten.
In
de hele Regio moeten democratische samenlevingen ontstaan, waar
burgers zonder enige vorm van dwang of intimidatie kunnen samenleven.
Dat is ons streven en dat van andere staten in de Regio. De beste
garantie van onze gemeenschappelijke veiligheid bestaat in het afsluiten
van een Stabiliteitspact voor Veiligheid en Defensie, en het ontwikkelen
van een netwerk van relaties en onderling verbonden instellingen,
die tezamen een overkoepelende structuur vormen.
1
Het bijeenroepen van een Intergouvernementele Conferentie voor Veiligheid,
Vrede en Regionale Samenwerking, onder leiding van de Europese Unie
De
UNIR MN vraagt de steun van de Europese Unie voor de promotie van
de stabiliteit en de vrede in de Regio van de Grote Meren, Centraal,
West- en Oost-Afrika. Dat doel moeten we zien te bereiken door democratisering
en een betere regionale samenwerking. Daarom vraagt de UNIR MN de
Europese Unie een intergouvernementele conferentie te organiseren
om zo de staatshoofden en regeringsleiders van de Regio bijeen te
brengen teneinde besprekingen te voeren over Defensie, Vrede en
Samenwerking.
De
UNIR MN is van oordeel dat de regeringsvertegenwoordigers van de
staten uit de regio dan de gelegenheid zullen krijgen om te onderzoeken
hoe ze een regionale identiteit kunnen ontwikkelen op het gebied
van veiligheid en defensie. De intergouvernementele Conferentie
moet een Regionaal Stabiliteitsplan opstellen en een Organisatie
voor Veiligheid en Wederzijdse Defensie oprichten. In dit stabiliteitspact
moet een oplossing worden geformuleerd voor veiligheid en defensie,
met bijzondere aandacht voor het probleem van de minderheden. Tot
slot moet de onschendbaarheid van de grenzen gegarandeerd worden.
2 Het regionale Stabiliteitspact voor Veiligheid en Defensie
De
UNIR MN is van oordeel dat de Regio van de Grote Meren, Centraal,
West- en Oost- Afrika zonder een Stabiliteitspact altijd met onveiligheid
te maken zullen hebben. Daarom overweegt ze de installatie van een
samenwerkingsverband voor regionale veiligheid en defensie. Het
gaat hier dan om de uitwerking van controle- en bewakingsmechanismen
voor de gemeenschappelijke grenzen, om te verhinderen dat de vrede
in de regio bedreigd wordt. Binnen het kader van dit beleid kunnen
bovendien de acties tegen regionaal terrorisme en georganiseerde
misdaad gecoördineerd worden. Er kunnen dan ook maatregelen
worden uitgevoerd voor het behoud en herstel van de vrede en de
veiligheid in de Regio.
De staten die deel uitmaken van het Pact moeten zich tegenover elkaar
verplichten de territoriale integriteit en de politieke onafhankelijkheid
van de andere staten te respecteren, en geen dreigementen of geweld
te gebruiken om de bestaande landsgrenzen te wijzigen. Ze moeten
voorts beloven de doelstellingen en principes van het Pact na te
leven.
Het
Stabiliteitspact voor Veiligheid en Defensie moet gebaseerd zijn
op het principe van militaire solidariteit tussen de contractspartijen
en een clausule bevatten over niet-inmenging in de binnenlandse
aangelegenheden van een andere staat. Er moet ook een clausule worden
opgenomen waarin het de contractspartijen verboden wordt welke steun
dan ook te geven aan rebellengroeperingen of afscheidingsbewegingen.
Concreet gezien gaat het om de implementatie van een mechanisme
voor collectieve, op het recht gebaseerde zelfverdediging, een soort
actio popularis tegen elke staat die de door hemzelf ondertekende
overeenkomst durft aan te tasten, door - bijvoorbeeld - een beroep
te doen op gewapende agressie of pogingen tot destabilisering van
de binnenlandse veiligheid door een andere deelnemende staat. Het
Pact moet overigens ook een clausule bevatten waarin de Veiligheidsraad
de bevoegdheid wordt verleend om vast te stellen of er sprake is
van een daad van agressie, een bedreiging of een inbreuk op de vrede,
en voorts dat de Verenigde Naties bevoegd zijn alsdan in te grijpen,
op basis van de hoofdstukken VII en VIII van het Verdrag. De bedoeling
van deze bepalingen is om de vrede en veiligheid in de regio te
handhaven, als de in het Pact deelnemende partijen oordelen dat
de uitvoering van de getroffen maatregelen efficiënter kan
plaatsvinden in het kader van de operaties onder auspiciën
van de VN dan in het kader van het Pact.
Niettemin herinneren we eraan dat de Stabiliteit moet samengaan
met duurzaamheid en doeltreffendheid. Daarom stelt de UNIR MN voor
dat elke aan het Pact deelnemende staat op zijn grondgebied een
nationale dialoog opzet, bij wijze van voorbereiding op de installatie
van een democratisch, op het recht gebaseerd bestel, met respect
voor de onschendbare individuele rechten en de universeel aanvaarde
one person, one vote-regel. Voor staten met etnische minderheden
moet worden vastgelegd dat rekening wordt gehouden met deze minderheden,
en dat ze effectief worden beschermd. Dat kan geschieden door het
inlassen van een zogenaamde "Minderheidsclausule" in de
Grondwet van deze staten, volgens het model van reeds bestaande
internationale teksten (in het bijzonder artikel 27 van het Verdrag
van de Verenigde Naties over burgerlijke en politieke rechten van
1996, alsook de Resolutie 47/135 van de Algemene Vergadering van
de VN van 18 december 1992).
3
De implementatie van de Organisatie voor Veiligheid en Wederzijdse
Defensie (OVWD)
Een
confederale organisatie voor veiligheid en defensie kan een doorslaggevende
bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de plaatselijke maatschappijen
en is onmisbaar voor de vredelievende betrekkingen in ons deel van
de wereld. Nog nooit was er een geschikter of dringender moment
voor de tenuitvoerlegging van een constructief initiatief in onze
Regio. Daarom stelt de UNIR MN voor van een Regionale Organisatie
op te zetten met als doel het weer bijeen brengen van de Grote Familie
van de Grote Meren en Centraal, West- en Oost-Afrika teneinde de
landen in deze regio van een structuur te voorzien die het ze mogelijk
maakt in vrede, veiligheid en vrijheid te leven en zo te groeien.
De
UNIR MN is ervan overtuigd dat de stabilisering van de Regio niet
plots zal plaatsvinden door het opleggen van een complete structuur,
maar veeleer stapsgewijs, door concrete acties die leiden tot een
feitelijke solidariteit. Dat is de reden waarom de oprichting van
de Organisatie voor Veiligheid en Wederzijdse Defensie (OVWD), die
alle staten van de Regio van de Grote Meren en Centraal, West- en
Oost-Afrika verenigt, niet alleen een antwoord wil bieden op de
conflicten die nu onze landen ruïneren, maar vooral een eerste
oprechte poging wil zijn om te komen tot een organisatie van collectieve,
regionale veiligheid en defensie.
De
OVWD moet worden opgericht op basis van hoofdstuk VIII, en in het
bijzonder artikel 52, § 1 van het Verdrag van de Verenigde
Naties. De acties die in het kader van de OVWD worden voorzien moeten
gebaseerd zijn op het in het natuurrecht erkende recht op collectieve
wettelijke zelfverdediging, zoals voorzien in artikel 51 van het
Verdrag van de Verenigde Naties. De solidariteit op het gebied van
veiligheid en defensie die op deze manier wordt geformaliseerd zal
ertoe moeten leiden dat elke oorlog tussen de staten van de Regio
niet alleen ondenkbaar wordt, maar tevens materieel onmogelijk.
Het institutionele organigram dat de UNIR MN voorstelt ziet er zo
uit :
1) Conferentie van staatshoofden en regeringsleiders (initiatief-orgaan)
2) Raad van ministers van buitenlandse zaken en van defensie
3) Raad van ministers van binnenlandse zaken en van veiligheid
4) Interparlementaire vergadering over buitenlandse zaken, defensie
en veiligheid
5) Commissie van de stafchefs van de legers
6) Een permanent secretariaat. In het begin kan de secretariaatsdienst
worden toevertrouwd aan de regering die volgens beurtrol de Organisatie
voorzit.
|
Hoofdstuk
III
Het herstel van de Republiek en
de installatie van een constitutionele staat in Kongo-Zaïre
|
Op
alle conflicten en interne crisissen die ons land sinds ruim vijf
jaar verstikken, op de anarchie die onvermijdelijk leidt tot het
ineenstorten, de ontbinding en de opdeling van de staat Kongo-Zaïre,
luidt het antwoord van de UNIR MN: territoriale integriteit, herstel
van de vrede, nationale verzoening.
1
Nationale verzoening, stichtingsplatform van de nieuwe Republiek
Kongo-Zaïre
Het
herstel van de vrede - het begin van het herstel van de territoriale
integriteit - moet via de verzoening van alle zonen en dochters
van Kongo-Zaïre verlopen. Verzoening is dus een essentieel
moment in de uitkristallisering van de vrede in Kongo-Zaïre.
Maar wat betekent nationale verzoening? Hoe denkt de UNIR MN hierover?
Welke fasen moeten we onderscheiden?
Als antwoord op al deze vragen stelt de UNIR MN een aanpak in -
grofweg - drie stappen voor:
- Een nationale dialoog organiseren, waarmee we een beroep doen
op de rede;
- Het volk om vergiffenis vragen;
- Het houden van een SNC.
A
De organisatie van een nationale dialoog
De
wederopbouw van de Republiek is een ambitieuze opdracht. Ook buiten
de UNIR MN wil een aantal persoonlijkheden en organisaties dat er
een diepgaand debat over deze problematiek gevoerd wordt. Men spreekt
welvan een "Intercongolese Dialoog".
De UNIR MN staat volledig achter dit idee. De UNIR MN dringt er
echter op aan dat deze dialoog plaatsvindt binnen de landsgrenzen
van de Republiek, en zo een symbool voor de nationale verzoening
wordt.
Volgens de UNIR zijn de Kongo-Zaïrezen verantwoordelijk genoeg
om hun vuile was binnenshuis te wassen, en nergens anders. Alle
dochters en zonen van Kongo-Zaïre moeten zich bewust worden
van de werkelijke oorzaak van de problemen waarmee het land nu wordt
geconfronteerd. Iedereen voor zich moet blijk geven van solidariteit
met de totale bevolking van Kongo-Zaïre, en zich nadien organiseren
om de problemen op te lossen.
Omdat
we ons bewust zijn van het feit dat Kongo-Zaïre niet over afdoende
financiële en/of materiële middelen beschikt om tot een
vruchtbaar resultaat te komen, wil de UNIR MN niet alleen een beroep
doen op de Verenigde Naties, maar ook - en vooral - op de financiële
en logistieke steun van de Europese Unie, om aldus de organisatie
van deze dialoog mogelijk te maken. Bovendien vragen we de VN en
de Unie om dit evenement - dat immers de basis moet vormen van een
burgerlijke concordia en het begin voor de heropbouw van het land
- te begeleiden.
De
nationale dialoog zal echter mislukken als Kongo-Zaïre bij
het verzoeningsproces onmachtig blijft het eigen verleden te verwerken.
Het nu in gang te zetten proces is volgens de UNIR MN bij uitstek
het moment om het volk van Kongo-Zaïre te verzoenen met zijn
verleden. We vinden namelijk dat het herstel van de vrede in Kongo-Zaïre
niet kan worden gerealiseerd zonder de doorslaggevende samenwerking
van alle dochters en zonen van het land. De nationale verzoening
moet dus moet verlopen via een verbroedering van de verschillende
generaties, via een herstel van een gezonde en oprechte vriendschap
tussen de ante- en post- koloniale generaties.
Het opnieuw samenstellen van ons vaderland veronderstelt dus dat
alle dochters en zonen van Kongo-Zaïre - ieder op zijn eigen
gebied en volgens zijn eigen bevoegdheden en vermogens, ongeacht
overtuiging of zienswijze - hun steentje moeten bijdragen.
B
Vergiffenis van het volk
Het
volk van Kongo-Zaïre om vergiffenis vragen en die ook verkrijgen
- ziehier een eerste voorwaarde voor de oprichting van een nieuwe
Republiek.
Niets vertroebelt het leven van een Natie meer dan Rancune, Spijt
en Verwijten, drie reacties gebaseerd op woede, schuldgevoel en
haat.
Deze drie emoties blokkeren al onze mogelijkheden en ontnemen ons
al onze kansen op een duurzame vrede. Haat is de doodsteek van het
nationale welzijn. We moeten de toekomst van ons land niet bekijken
door een halfdoorzichtig en vervormend venster. Voor een land bestaat
er niet zoiets als het noodlot. Dat is althans de overtuiging van
de UNIR MN.
Wat
hier ook van zij, de vergiffenis door het volk zal het begin zijn
van een tijdperk dat van de UNIR MN de naam "Het jaar nul van
de Republiek" meekrijgt. Het gaat er niet om tabula rasa te
plegen met het verleden. Niettemin is het onze plicht de pagina
om te draaien - evenwel zonder haar te verscheuren.
De UNIR MN aanvaardt niet dat Kongo-Zaïre nog altijd politieke
vluchtelingen produceert. Daarom is het noodzakelijk dat iedereen,
alle zonen en dochters van dit land, zich met elkaar verzoenen.
Het is absoluut noodzakelijk dat alle Kongo-Zaïrezen elkaar
onderling vergeven; ze moeten ophouden elkaar wederzijds uit te
sluiten. Alleen de saamhorigheid van alle dochters en zonen van
Kongo-Zaïre kan leiden tot een duurzame vrede; alleen door
algehele verzoening kunnen we doeltreffend optreden tegen de agressors
en een aantal valse vrienden van Kongo-Zaïre. Kongo-Zaïre
valt uit elkaar. Onze ouders, broeders en zusters, onze kinderen
roepen ons om hulp. Het is hoog tijd dat we ons bewust worden van
deze oproep; het is hoog tijd dat we een einde maken aan de interne
ruzies; het is tijd dat we ons gaan wijden aan de ware zaak.
Vergiffenis
is overigens niet hetzelfde als straffeloosheid. In navolging van
het voorbeeld van de Republiek Zuid-Afrika moeten we duidelijk maken
dat vergiffenis alleen zin heeft in volmaakt transparante omstandigheden.
Het is dus aan de Commissie die voor dat doel zal worden opgericht
om te oordelen over elk geval en elke persoon die zijn excuses aan
het volk van Kongo-Zaïre behoort aan te bieden en van wie het
volk een verzoek om vergiffenis verwacht.
C
Het houden van een Soevereine Nationale Conferentie (SNC)
De
nationale verzoening moet concreet en geloofwaardig zijn; ze kan
niet los gezien worden van het herstel van de staat. De SNC is dus
het laatste stadium in het verzoeningsproces.
De institutionele en politieke crisis die Kongo-Zaïre vandaag
doormaakt kan alleen worden opgelost met een beroep op het zelfbeschikkingsbeginsel.
Volgens dit principe heeft elke staat het recht zijn eigen politieke,
economische en sociale structuren op te zetten en vrij zijn eigen
leiders te kiezen. Dit grondbeginsel, dat duidelijk is verwoord
in Resolutie 1514 van de Algemene Vergadering van de VN over de
Verklaring over het Toekennen van Onafhankelijkheid van een land
en koloniale volkeren, vormt de ziel van de natie. We kunnen ook
stellen dat het principe van de zelfbeschikking de uitdrukking is
van de soevereiniteit, d.w.z. de manifestatie van de onafhankelijkheid
van elke moderne staat.
Het
volk van Kongo-Zaïre moet vrij en bewust kunnen teruggrijpen
op zijn eigen verleden. Alle zonen en dochter van Kongo-Zaïre
moeten zelf hun lot bepalen, rekening houdend met het feit dat het
land niet hun eigendom is, maar dat ze slechts vruchtgebruikers
zijn van de Republiek. In die zin moet de zorg om de opbouw van
een samenleving van vrede en welzijn voor elke zoon en dochter van
Kongo-Zaïre de prioriteit van alle prioriteiten zijn. Ieder
van ons moet in de eerste plaats denken aan de erfenis die we aan
onze kinderen en kleinkinderen, aan de toekomstige generaties nalaten.
We moeten ons bewust worden van onze plicht en dienovereenkomstig
handelen.
De
UNIR MN erkent en verwelkomt de inspanningen van de zonen en dochters
van Kongo-Zaïre voor het werk dat ze hebben verricht tijdens
de eerste SNC. Deze heeft aangegeven hoe het moet. Er zijn toen
twee basisprincipes aanvaard voor de kwestie van de politieke regeling.
Het betreft hier het verbod om via wapens of geweld de macht te
grijpen en het besluit om tijdens de overgangsperiode een Regering
van Nationale Eenheid te vormen.
De
UNIR MN stelt dus voor het werk van de eerste SNC opnieuw te laten
starten omdat een dergelijke conferentie als enige in staat is te
zorgen voor het begin van een democratische overgang in Kongo-Zaïre.
Het is duidelijk dat de resultaten van de eerste SNC, hoe relevant
ook, niet in hun geheel kunnen worden overgenomen. We kunnen ze
echter ook niet terzijde schuiven. Een aantal punten die toen werden
opgenomen moeten nu opnieuw worden onderzocht.
2
De terugkeer naar een constitutioneel overgangsbestel om uit de
politieke en institutionele crisis te komen
De
UNIR MN stelt voor het nieuwe Kongo-Zaïre te bouwen op basis
van democratische principes. De UNIR MN legt dus de nadruk op de
Rechtsstaat, d.w.z. een staat die is gebouwd op het principe van
het primaat van het recht en het respect voor de mensenrechten en
de fundamentele vrijheden.
Niemand zal tegenwoordig nog het belang van een juridisch kader,
gebaseerd op het principe van de grondwettelijke rechtsstaat, willen
ontkennen. Een dergelijk bestel is in Kongo-Zaïre helaas onbekend.
Daarom benadrukt de UNIR MN eerst en vooral het respect voor de
grondrechten en de individuele rechten. De bescherming van de mensenrechten
en de fundamentele vrijheden wordt tegenwoordig beschouwd als iets
waar de mensheid als geheel belang bij heeft. Men kan zelfs stellen
dat de mensenrechten een "humanitaire verworvenheid" vertegenwoordigen
- alle staten zijn verplicht deze rechten te respecteren.
De
bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden komt
in laatste instantie toe aan de rechterlijke macht. De structuur,
de organisatie en ook het functioneren van justitie is dus uiterst
belangrijk, en de UNIR MN wijst erop dat elke burger van Kongo-Zaïre,
of elke andere persoon die zich binnen het rechtsgebied van de Republiek
bevindt, over het recht moet beschikken dat zijn zaak door een onafhankelijke
en onpartijdige rechtbank gehoord wordt. Dit recht, de toegang tot
de rechtspraak, moet gewaarborgd worden en we moeten er bovendien
voor zorgen dat men er ook werkelijk efficiënt gebruik van
kan maken.
De overheid heeft verplichting de bevolking aangaande haar rechten
in te lichten, en de daarvoor benodigde informatie ter beschikking
te stellen. De UNIR MN stelt daarom voor " Huizen voor Burgers
en Mensenrechten" (HBMR) op te richten. Bovendien wil de UNIR MN
dat er rechtshulp voor de burgers komt, zodat deze makkelijker toegang
krijgen tot justitie en recht. De UNIR MN denkt daarbij aan het
opzetten van wat in Engelstalige wereld een "Legal Aid Agency"
genoemd wordt, een bureau voor juridische bijstand en hulp bij rechtspraak.
Deze HBMRs zijn samengesteld uit advocaten-ambtenaren, die de minder
bedeelden gratis moeten adviseren en verdedigen.
3
Voorstellen inzake de Nationaliteitskwestie van de "Banyamulenge"
bij het Proces voor Vrede en Nationale Verzoening in Kongo-Zaïre
Hoe
er een einde zal komen aan de chaos in Kongo-Zaïre is nog onduidelijk,
maar in elk scenario moet hoe dan ook aandacht worden besteed aan
kwestie vrede en nationaliteit.
Het herstel van de vrede en de territoriale integriteit in Kongo-Zaïre
is namelijk nauw verbonden met de nationaliteitsproblematiek. Volgens
de praktijk van de staten en de jurisprudentie wordt nationaliteit
begrepen als "een juridische ruimte met aan de basis een sociaal
feit. Er moet sprake zijn van hechting, van een daadwerkelijke bestaanssolidariteit,
waar sentimentele belangen verbonden zijn met de wederkerigheid
van rechten en plichten. Men kan stellen dat nationaliteit de juridische
uitdrukking is van het feit dat het individu aan wie ze wordt toegekend,
ofwel rechtstreeks door de wet, ofwel door een daad van de overheid,
in feite inniger verbonden is met de bevolking van de staat die
ze hem geeft dan met eender welke andere staat".
(zaak Nottebohm, arrest van 6 april 1955).
De
juridische definitie van het begrip nationaliteit komt hiermee in
de buurt van een sociologische definitie. We moeten benadrukken
dat de nationaliteit gaat over een staat of de situatie van een
persoon die tot een staat behoort. Het betreft in wezen een nationaal
gevoel dat reëel moet zijn, d.w.z. dat moet overeenkomen met
de feitelijke situatie, die berust op een band van hogere orde tussen
de belanghebbende en de staat waartoe hij beweert te behoren.
De spanning tussen vrede en nationaliteit hangt in Kongo-Zaïre
samen met een probleem dat veroorzaakt is door het feit dat een
groep mensen 1977 besloten heeft zich voortaan "Banyamulenge"
te noemen. Deze benaming komt in feite van de naam van het dorpje
Fuliiru dat in 1924 de eerste groep Tutsi-migranten ontving, voordat
deze zich begonnen verspreiden op de hoogvlaktes van Zuid Kivu waar
hun gelederen tussen 1959 tot 1962 werden versterkt door opeenvolgende
golven van Tutsi-vluchtelingen, op de vlucht voor vervolging door
de Hutu. In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, staat de term
"Banyamulenge" dus niet voor een afzonderlijk volk of
stam uit Kongo-Zaïre. In Kinyarwanda betekent "Banyamulenge"
eenvoudigweg "inwoners van Mulenge".
In
elk geval is het nu wel duidelijk dat de "Banyamulenge"
nooit zijn opgenomen op de lijst stammen en volkeren die tijdens
de koloniale periode op het grondgebied van Kongo-Zaïre leefden.
Wat hun nationaliteit betreft: er bestaan verschillende officiële
documenten die aantonen dat de Tutsi-bevolking die zich op Kongo-Zaïrees
grondgebied heeft gevestigd, in principe sinds de Ordonnantiewet
van 26 maart 1971, de Zaïrese of Kongolese nationaliteit geniet.
Deze tekst van de wet van 1971 luidt: "Alle personen die afkomstig
zijn uit Rwanda-Burundi en op 30 juni 1960 in de Kongo waren gevestigd
worden geacht op deze datum de Kongolese nationaliteit te hebben
verworven". Deze wet is vrij algemeen en ietwat arbitrair geformuleerd,
en er is nooit precies vastgelegd op welke individuen ze precies
betrekking heeft. Daarom probeert de wet van 5 januari 1972 (Wet
nr. 72-002 inzake de Zaïrese nationaliteit) duidelijkheid in
deze materie te scheppen - zonder daar overigens echt in te slagen.
De wet van 1971 is buiten werking gesteld en artikel 15 van de nieuwe
wet is nu als volgt geredigeerd: "Alle personen die afkomstig
zijn uit Rwanda-Burundi en die reeds voor 1 januari 1950 in de provincie
Kivu verbleven en die daarna in de Republiek Zaïre zijn blijven
wonen tot het van kracht worden van deze wet, hebben op 30 juni
1960 de Zaïrese nationaliteit verworven".
Tenslotte stelt de wet van 29 juni 1981 (Wet nr. 81-002 van 29 juni
1981) heel duidelijk dat al degenen die kunnen bewijzen dat hun
voorouders vóór 1885 in Kongo-Zaïre leefden het
recht op de Zaïrese nationaliteit hebben. Deze laatste wet
(en dan met name artikel 20 van de Ordonnantie van 15 mei 1982 over
enkele uitvoeringsmaatregelen van de wet van 1981) annuleert die
van 1972, en stelt definitief het volgende: "Ongeldig zijn
alle certificaten van Zaïrese nationaliteit en alle andere
identiteitsdocumenten die zijn afgegeven uit hoofde van artikel
15 van de wet nr. 72-002 van 5 januari over de Zaïrese nationaliteit".
Nu blijkt echter wel dat de wet van 1981 niet streng werd toegepast,
aangezien de identiteitskaarten die aan de "Banyamulenge"
waren afgegeven niet zijn geannuleerd.
Er
is dus sprake van een juridisch vacuüm. Met het oog op de nationale
verzoening gaat de UNIR MN ervan uit dat de zogenaamde "Banyamulenge"
volwaardige Kongo-Zaïrezen zijn. De UNIR MN maakt echter een
voorbehoud als het gaat om de aanspraken die deze deelgroep van
Kongo-Zaïrese bevolking maakt op een bijzondere behandeling
(vergeleken met de rest van de Kongo-Zaïrese bevolking).
De UNIR MN wijst er opnieuw op dat het nieuwe Kongo-Zaïre tegemoet
zal moeten komen aan de eisen van een constitutionele rechtsstaat,
d.w.z. een staat die de principes van vrijheid, recht en mensenrechten
respecteert. Dit zijn tegenwoordig universeel erkende principes
zijn geworden - ze zijn onmisbaar voor elke samenleving die democratisch
wil zijn. Om dit resultaat te bereiken dringt de UNIR MN aan op
het opzetten van een juridisch systeem dat coherent en operationeel
is, waarin iedereen die onder de jurisdictie van de staat Kongo-Zaïre
valt reële garanties geniet dat zijn zaak gehoord wordt. De
toegang tot justitie moet dus verzekerd worden.
De
UNIR MN meent daarom dat de erkenning dat de "Banyamulenge"
een bijzondere juridische behandeling ten deel zou moeten vallen
gelijk staat met het impliciet erkennen van het bestaan van een
etnische minderheid op het grondgebied van de Republiek. De etnografische
opbouw van Kongo-Zaïre toont echter duidelijk aan dat ons land
bestaat uit verschillende volkeren en/of stammen, die elk op zich
een minderheid vormen.
De UNIR MN verwerpt bijgevolg elke aanspraak van de "Banyamulenge"
(en gelijke groepen) op een verschillende behandeling, vooral omdat
duidelijk is dat de feitelijke of juridische situatie van bevolkingsgroep
niet werkelijk verschilt van die van de rest van de bevolking van
Kongo-Zaïre. De nieuwe Republiek Kongo-Zaïre moet gebaseerd
zijn op het beginsel dat alle burgers voor de wet gelijk zijn. Elke
bezitter van de Kongo-Zaïrese nationaliteit moet er dus op
kunnen rekenen dat hij in identieke of gelijksoortige situaties
dezelfde behandeling krijgt en dat voor hem dezelfde juridische
garanties gelden. De UNIR MN stelt dus voor het probleem van de
"Banyamulenge" op te lossen door in de Republiek Kongo-Zaïre
het non-discriminatiebeginsel door te voeren. Dit beginsel is trouwens
reeds opgenomen in een aantal teksten over de grondrechten - namelijk
als het onderliggende principe dat de uitoefening van andere grondrechten
en individuele vrijheden van de mens schraagt.
De
UNIR MN meent dat alle inwoners van Kongo-Zaïre dezelfde rechten
en plichten moeten hebben; ze zijn immers onderworpen aan dezelfde
wetten. (Men zij er overigens op gewezen dat de overheid met bepaalde
verschillen wel rekening dient te houden, juist door de concrete
toepassing van het non-discriminatiebeginsel.) De UNIR MN verbindt
zich dus niet alleen om zich te inspireren op de verschillende internationale
en/of regionale instrumenten ter bescherming van de rechten en vrijheden
van het individu, maar ook tot de toepassing van zulke instrumenten.
Meer concreet denkt de UNIR MN eraan de rechtsspraak van het Europese
Hof voor de Mensenrechten in deze materie over te nemen, aangezien
het Europese systeem ter bescherming van de Mensenrechten past binnen
het objectieve kader van de Universele Verklaring van de Rechten
van de Mens, wat betekent dat de substantie van de Europese Conventie
ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
zich niet beperkt tot Europa. Bovendien wordt de Europese wetgeving
op het gebied de mensenrechten al meer dan een halve eeuw voortdurend
geperfectioneerd; ze heeft in elk geval haar doeltreffendheid bewezen.
Hoe
dan ook, de hedendaagse visie op de rechten van de mens gaat veel
verder dan een puur regionale visie. We stellen namelijk vast dat
een aantal organen (Afrikaanse Commissie, Amerikaans Hof en Europees
Hof voor de Mensenrechten) de regionale teksten die tot hun beschikking
staan meer en meer interpreteren in het licht van de rechtspraak
van alle partijen. Als het gaat om de uitoefening van de juridische
controle op het respect van overheidsorganen voor de rechten van
het individu en de oplossing van het problematiek van de "Banyamulenge",
vindt de UNIR MN dat de aanpak van de Europese rechtspraak inzake
het principe van de non-discriminatie de meest geschikte is voor
de verwezenlijking van het beoogde.
Contactez - nous: www.unir-mn.org - info@UNIR-MN.org
UNIR MN Union pour la République Mouvement National
|